prinsengracht_21.jpg
De woning van H. Keijser aan Prinsengracht 21
img493a.jpg
Heinz Keijser
Foto door Cas Oorthuys ca. 1963
foto_keijser_(3).jpg
Heinz Keijser met zijn collectie
Biografie Heinz Keijser
Deze biografie van Heinz Keijser is grotendeels gebaseerd op zijn ‘schildering van zijn levensloop’ uit ca. 1964. Het document bestaan uit 18 getypte pagina’s en een bijlage met de 22 onderduikadressen waar hij gedurende de Tweede Wereldoorlog in Nederland verbleef. 

Jeugdjaren
Heinz Keijser werd op 26 augustus 1911 in Gronau (Duitsland) geboren als eerste kind van de Nederlandse Abraham Keijser (Schoonhoven 19-04-1886 – Zeist 1948) en de Duitse Victoria Behr (Celle 17-09-1888 – Nederland, ca. 1961). In 1914 volgde zijn broer Alfred. De Keijsers dreven een schoenenzaak aan de Cellerstrrasse 59 in Gronau die zij na hun verhuizing in 1912 in Hannover voortzetten tot aan hun vlucht naar Nederland in juli 1933.

Op 14-jarige leeftijd ging Heinz Keijser in de leer bij het warenhuis Sternheim und Emanuel als assistent-afdelingschef in de damesconfectie. In zijn vrije tijd turnde hij bij de overwegend joodse Vereinigte Turnerschaften Hannover (VTH). Ook was hij korte tijd lid van een Zionistische vereniging die landbouwactiviteiten organiseerde ter voorbereiding van emigratie naar Palestina. Keijsers ouders waren seculiere joden en hadden maar weinig op met het zionisme. Voor Heinz Keijser was zijn bewustzijn van zijn joodse identiteit gedurende zijn jeugdjaren vooral het gevolg van antisemitische opmerkingen en incidenten.

Actiegroep
Via zijn werk raakte Heinz Keijser actief in de vakbond en via joodse vakbondsleden werd hij lid van een actiegroep tegen het fascisme. Nadat ze op een nacht werden opgepakt tijdens het ophangen van plakkaten met de tekst ‘Fascisme is moord’ kregen ze de keuze tussen drie nachten in de cel of het betalen van een boete. In zijn aantekeningen over dit incident schetst Keijser ter contrast dat ondertussen het bedrijf van zijn ouders in het Listerviertel net als andere joodse bedrijven met regelmaat beklad werd met anti-joodse leuzen en hakenkruizen, maar dat deze daders nooit actief gezocht of bestraft werden.

Via de joodse jeugdvereniging kende Keijser de familie Braunsberg, katoenfabrikanten, bij wie hij aan de slag kon om zich te bekwamen in de textielindustrie. Na de machtsovername door de nationaalsocialisten in januari 1933 en de daarop volgende anti-joodse maatregelen zoals het verbod op bijeenkomsten, bleef zijn actiegroep in het geheim bijeenkomen in de gymnastiekschool Einecke-Bosse. Op 19 april 1933 werd Keiser bij zijn baas geroepen die hem vertelde dat hij gearresteerd dreigde te worden en nog dezelfde middag vluchtte Keijser per trein naar Amsterdam.

Bij aankomst op het Centraal Station werd hij evenals de vele andere joodse vluchtelingen ontvangen door medewerkers van het Comité Joodsche Vluchtelingen, die hen op diverse adressen onderbrachten. De gezamenlijke maaltijden werden in het gebouw van de Joodsche Invalide verzorgd. Hier vierde Keijser ook voor het eerst de seideravond; de symbolische maaltijd op de vooravond van Pesach waarin het Bijbelse verhaal van de vlucht van het joodse volk uit Egypte wordt herdacht. De rituele maaltijd en de parallel met zijn eigen overhaaste vlucht uit Hannover, maakte grote indruk op hem ondanks dat hij zelf geen enkele religieuze opvoeding had gehad.

Via affiches ontdekte Heinz Keijser de activiteiten van de Handwerkersvriendenkring (de latere studentenbioscoop Kriterion) en zag daar een optreden van de balletgroep Dynamo. De spelers waren uitgerust met maskers die fascisten, kapitalisten, militaristen e.a. voorstelden die in het tweede deel van het stuk symbolisch door arbeiders en boeren van het podium werden verjaagd. Keijser was meteen gefascineerd en stond kort daarop met hen op het podium geschminkt als een met een bloederige beulenbijl zwaaiende Hitler, die door ‘klassenbewuste arbeiders’ onder de voet wordt gelopen.

Werk
Intussen werden Joodse en politieke vluchtelingen in groten getale via het latere concentratiekamp Westerbork naar Duitsland teruggestuurd. Dit lot bleef Heinz Keijser vanwege zijn Nederlandse pas bespaard en zodra hij een arbeidsvergunning bemachtigde ging hij aan het werk bij een firma in bont en huiden voor wie hij in een kelder de handelswaar sorteerde.

In zijn vrije tijd was hij actief in een kindertheatergroep, waar hij diverse voorstellingen met een moralistische boodschap organiseerde, zoals ‘Angst is een slechte raadgever’ waarin demonische figuren uit sprookjes en legenden ‘ontmaskerd’ werden. Na een onderbreking van anderhalf jaar diensttijd, zette hij zijn werk voor het theater voort; onder meer met de voorstelling ‘Der Weg ins Leben’ waarvan de première in de Hollandsche Schouwburg plaatsvond. De schouwburg werd tijdens de Tweede Wereldoorlog door de bezetter ingezet als deportatieplaats en is tegenwoordig een monument dat deel uitmaakt van het Amsterdamse Joods Cultureel Kwartier.

Keijser vond een nieuwe baan als vertegenwoordiger in textielwaren voor een Utrechtse groothandel. Met grote koffers- eerst op de fiets, later per motor en uiteindelijk met een auto- bezocht hij zijn afnemers, voornamelijk marskramers. De zaken gingen goed en Heinz Keijser maakte plannen om zelfstandig door te gaan. Aan dit plan kwam voortijdig een einde toen hij met de Duitse inval in Polen werd opgeroepen voor de motorbrigade. Na de capitulatie van Nederland moest Keijser met zijn eenheid de overname van hun commando door de Duitse militairen afwachten. Keijser die wist dat hij als jood met een politiek verleden in Duitsland gevaar liep, besloot te vluchten en begon in mei 1940 zijn leven in onderduik.

Oorlog en onderduik
Zijn eerste onderduikadres was op de Amsterdamse Kloveniersburgwal 111 bij zijn vriendin Eva Loeb (Den Haag 17-09-1913 - Amsterdam (?) die hij tijdens een van zijn theater voorstellingen in de theosofentempel had ontmoet. Vanuit de onderduik kon hij voor zijn voormalige werkgever in Utrecht blijven werken. Deze legde grote voorraden textiel en andere waren als zeep en scheermessen aan. Hun voormalige joodse klanten -bij wie inmiddels paniek was uitgebroken- stuurden hun voorraden aan deze niet-joodse groothandel en Keijser sorteerde de waren. Omdat hij zelf niet meer kon reizen, fungeerde Eva Loeb als tussenpersoon.

Toen joden vanuit geheel Nederland naar Amsterdam werden gesommeerd, ontvluchtten Heinz Keijser en Eva Loeb de stad en vonden een huurwoning in een koetshuis aan de Donkervliet in Loenersloot, waarvoor het contract op een andere naam kon worden gezet. Boven hun bed hing Keijser een touwladder die toegang bood naar een schuilplaats op de hooizolder. Keijser die met regelmaat overmand was door angst, zocht hier menigmaal zijn toevlucht. In Utrecht ontmoette Keijser nog eenmaal zijn inmiddels ook gevluchte ouders voordat ook zij onderdoken op een adres in Leersum. Evenals zijn broer overleefden ook zij de oorlog in onderduik.

Nadat de eveneens joodse Eva Loeb haar baan bij de gemeente kwijtraakte vond ze werk als lerares op een joodse school. Toen zij voor deportatie werd opgeroepen vluchtten beiden nog dezelfde dag naar tijdelijke adressen. Heinz Keijser kon terecht op een adres aan de Jeroen Boschlaan in Heemstede; Eva Loeb op een adres in Friesland. Enige weken later vonden ze samen een tijdelijk onderdak.
In de jaren die volgden waren ze altijd samen, maar vonden nooit een vast onderduikadres. Ze vluchtten van het ene naar het andere tijdelijke verblijf en wisselen in totaal 31 keer van locatie, verspreid over 22 adressen waarvan ze op een aantal meerdere keren kort kunnen verblijven. Uit de lange lijst van onderduikadressen in Gelderland, Overijssel, Groningen en Friesland die Keijser naliet, blijkt dat ze diverse malen bij Nederlands Hervormde pastorieën waren ondergedoken en in Amsterdam twee keer verbleven bij de graficus en verzetsstrijder Dick Elffers (1868-1941) op de Oudezijds Achterburgwal en drie keer bij fotograaf en verzetsstrijder Cas Oorthuys (1908-1975) in zijn woning aan de Amstel 3. Met de laatste onderhield Keijser ook na de oorlog nog langdurig contact en Cas Oorthuys legde in latere jaren Keijser en zijn verzameling in diverse foto’s vast.

Na de oorlog
De bevrijding maakten Heinz Keijser en Eva Loeb mee op een onderduikadres in Friesland. Na hun terugkeer naar Amsterdam vonden ze een woning aan Prinsengracht 21, het voormalige adres van de illegale vrije Pers (Vrij Nederland). Vrienden hadden tijdens de oorlogsjaren hun meubels en bezittingen veiliggesteld en Keijser probeerde weer aan het werk te gaan, wat hem twee jaar kostte, want, in zijn woorden:  “alles was in orde…maar ik niet”. Latere medische dossiers waaruit Keijser in zijn autobiografische levensschets citeert, tonen de conclusies van artsen dat hij leed aan hartritmestoornissen, depressies en angsten ten gevolge van de traumatische gebeurtenissen en het jarenlang op de vlucht zijn.

Het echtpaar trouwde in 1946 en Eva Loeb's grote kinderwens leek in 1947 verhoord te worden. Voor hun ongeboren kind kocht Heinz Keijser een zilveren rammelaar bij een antiquair. Na ernstige complicaties kwam hun zoon evenwel levenloos ter wereld. De psychische gevolgen van hun verlies evenals het oorlogstrauma van Heinz Keijser leidden ertoe dat het echtpaar kinderloos bleef en zoals Keijser in zijn levensschets beschrijft, spraken zij nooit meer over het verlies van hun kind.  

Rond 1948 reisde Heinz Keijser naar Hannover waar hij urenlang door de ruïnes van zijn vroegere stad liep. Op zoek naar oude bekenden uit zijn vooroorlogse vriendenkring vond hij uiteindelijk alleen zijn jeugdvriendinnetje Debora terug en hoorde dat zijn vroegere werkgevers Sol en Julius Braunsberg met hun kinderen de oorlog hadden overleefd en in Londen woonden. In 1950 nam Keijser die inmiddels als zelfstandig leverancier van fournituren aan warenhuizen werkte contact met ze op waarop de Braunsbergs hem meteen lieten overkomen en hierop volgde een langdurige samenwerking en vriendschap. In korte tijd bouwde Keijser een internationale textielhandel op door grote partijen linnen in Oost-Europa aan te kopen, waarna hij zijn zaken uitbreidde naar onder meer Spanje en Portugal. In zijn persoonlijk leven bleef hij evenwel lijden aan hartritmestoornissen, depressies en angsten. Dit droeg mede bij aan de uiteindelijke ontbinding van het huwelijk tussen Loeb en Keijser in 1975.

Het begin van de verzameling
In 1952 wordt Susan Braunsberg geboren als de eerste dochter van hun Londense vrienden Hannelore en Hans Braunsberg. Keijser schonk als geboortecadeau de rammelaar die hij eerder voor zijn vrouw Eva en hun ongeboren kind had gekocht. Met zijn vrouw sprak hij af om voor haar een vergelijkbaar exemplaar te kopen. Deze zoektocht leidde tot bezoek aan diverse antiquairs en werd uiteindelijk de basis van de verzameling die Keijser in de daarop volgende decennia aanlegde.

De betekenissen en functies van de rammelaar, van speeltuig tot amulet ter afwering van het kwaad,  en in al haar verschijningsvormen, tijden en culturen, fascineerden Keijser. Maar ook heeft zijn verzameling een andere betekenis, zoals hij in zijn levensschets verwoordt: "...er ligt een diepere schaduw onder dit alles: ‘Vlucht en onderduik’, deze keer niet voor de nazi’s, maar voor de geestelijke wonden die zij achterlieten, pogingen om dit te vergeten en een onbeschrijflijk gevecht om het ‘zijn’ nog enige zin of inhoud te geven.”

Door de jaren heen bouwde Keijser zijn verzameling uit met honderden rammelaars, kinderportretten, exotische rammelaars uit alle tijden en culturen, een bibliotheek en uitvoerige documentatie. Zijn collectie raakte bekend in kringen van experts en collega verzamelaars. Met de tentoonstelling "Rinkelbel en rammelaar" in Museum Willet Holthuysen die op 19 juni 1958 opende werd een belangrijk deel van de Keijser collectie van ca. 200 stuks voor het eerst aan het grotere publiek getoond. Stedelijk Museum directeur en graficus Willem Sandberg ontwierp het affiche en de begeleidende catalogus met een inleiding door Keijser over de geschiedenis van de rammelaar.

Als tweede hoogtepunt in zijn leven als verzamelaar noemt Keijser zijn deelname als bruikleengever voor de tentoonstelling L'argenterie des Pays-Bas: XVIIe-XVIIIe siècles in het Nederlands Instituut te Parijs in 1962, waarvoor hij door de bekende verzamelaar Frits Lugt was benaderd. Delen van de Keijser collectie werden hierna nog getoond in het Singer Museum te Laren in 1973 en na het overlijden van Keijser in de tentoonstelling Kinderen van alle tijden in het Noordbrabants Museum te 's -Hertogenbosch van 28 maart t/m 6 juli 1997.

Door de jaren heen werd Keijsers verzameling zijn belangrijkste activiteit. Hij reisde over de wereld, op jacht naar bijzondere exemplaren en correspondeerde met tal van experts in voorbereiding van zijn (nooit voltooide) boek over de geschiedenis van de rammelaar. Ook legde hij contact met collega-verzamelaars, zoals Idès Cammaert met wie hij sinds 1963 zijn grote passie voor het verzamelen van rammelaars deelde en via wie hij de Amerikaanse verzamelaar Marcia Hersey ontmoet, die in 1998 de identificatie en waarderingsgids Collecting Baby Rattles and Teethers samenstelde. Het drietal ontwikkelde een levenslange vriendschap en haar boek droeg Hersey dan ook aan haar toen inmiddels overleden vrienden Cammaert en Keijser op.

Granaatappels
Naast rammelaars legde Keijser ook een verzameling aan met afbeeldingen of weergaven van rammelaars, evenals een verzameling over granaatappels, de vrucht die als sinds de oudheid in gedroogde vorm als rammelaar wordt gebruikt en als symbool van vruchtbaarheid in vele vormen in kunst en kunstnijverheid is afgebeeld.

Kort voor zijn overlijden op 14 februari 1988 bracht Keijser zijn collectie onder in een stichting. Keijser werd begraven op de begraafplaats Gan Sjalom in Hoofddorp van de Amsterdamse Liberaal Joodse Gemeente. Zijn graf werd door de Stichting Keijser voorzien van een granaatappel, als het oude joodse symbool dat belangrijk deel uitmaakte van het gedachtegoed dat Keijser rond zijn verzameling ontwikkelde en naliet.

Mirjam Knotter
contact | privacy | voorwaarden | colofon
lang: 1/geschiedenis/biografie